Uitgelicht

Verloving

Een jongetje van 11 heeft mij op school ten huwelijk gevraagd. Eerst negeerde ik zijn verzoek. Toen hij echter voor de derde keer op zijn knieën ging en mijn hand daarbij vastpakte was ik toch ontroerd en leek ‘nee’ zeggen mij opeens dodelijk saai dus ik zei ‘ja’.

Hij danste van blijdschap om mij heen en kwam met een paar vriendjes uit zijn klas even later een verlovingsring brengen van papier waar Gucci op stond. ‘Hoe heet je eigenlijk,’ vroeg ik, ‘want straks weet ik niet eens met wie ik getrouwd ben.’

Soms legt hij zijn hand op mijn schouder bij wijze van verstandhouding, ook denkt hij dat hij meer mag dan andere kinderen. Hoe draai ik dat terug zonder hem te kwetsen in deze prille liefde? vroeg ik mij af.

Mijn klas vindt het maar niks. Trouwen met een jongetje van 11? Ze trekken hun neus ervoor op en kijken naar mij alsof ze een griezelig beest zien. ‘Nou en?’ zeg ik en trek mijn schouders op. ‘Wat kun jij goed liegen,’ bijt een meisje mij toe, want ze geloofde er niets van.’

Mijn bijna 50-jaar jongere verloofde zei vandaag dat hij mij gemist had in het weekend, want dat duurt lang hoor als je verliefd bent. ‘Valt wel mee toch? zei ik.

‘By the way; je veter zit los.’

‘Je vrouw zegt dat je veter los zit,’ papegaaide een vriendje hem na.

Hij wil graag contact houden via Instagram. Dat verzoek heb ik voor de zekerheid toch maar niet ingewilligd.

Over een week is de overblijf-juf weer gewoon een van de juffen en dan begint de gebruikelijke strijd om de macht weer. Niets bijzonders.

 

De Kraker

Meteen als ik de klas binnenkom vraagt Claudius:‘Juf, weet u hoe De Kraker een mens in 1 hap kapot kan bijten?’ ‘Mag ik even mijn tas wegzetten, dan kom ik zo bij je.’ Pas als we buiten zijn heb ik tijd voor zijn verhaal. Ik loop naar hem toe in de zandbak: ‘Hoe zat dat nou met die Kraker?’ vraag ik.

Hij steekt meteen van wal: ‘De Kraker kan iedereen kapotbijten omdat hij overal tanden heeft. ’Claudius wijst allerlei plekken aan van zijn hals tot aan zijn voorhoofd ‘Brrr…, wat eng.’ ‘Ja, heel eng’, glundert hij. ‘Maar Jack Sparrow van The Caribbean Pirates heeft hem doormidden gehakt met zijn zwaard en toen was hij dood.’ ‘Goh, maar dat scheelt zeg.’

‘Weet u, ik heb thuis een boek, en daar is er maar 1 van in de hele wereld, in dat boek staat hoe je ‘striptekenaar’ kunt worden.’ ‘Dat is echt wat voor jou, want jij kunt heel goed verhalen vertellen.’ ‘Hoe weet u dat?’ ‘Nou omdat je aan mij ook al een paar verhalen verteld hebt.’ ‘Wanneer dan?’ Hij kijkt mij met ogen vol ongeloof aan. ‘Laatst toch, over The Mothman en die heks?’ ‘Oh, ja die,’ zegt hij meer om mij gerust te stellen dan dat hij het zich zelf ook herinnert.

‘Kun jij toevallig ook goed tekenen, Claudius?’ Hij knikt zelfverzekerd en vraagt:’Hoezo?’ ‘Omdat ik een blog schrijf over gesprekken met kinderen, jouw verhalen staan er ook op. Zou jij daar misschien zelf tekeningen bij willen maken?’ Hij graaft stevig door in het zand tot waar hij niet verder kan en lijkt niet erg onder de indruk van mijn voorstel. ‘Mijn tekeningen zijn niet zo goed, misschien kun jij het beter?’ probeer ik het nog een keer, maar Claudius is te verdiept in het graven van zijn oorlogsbunker om mij nog te horen. 

Straks breekt de oorlog uit met groep 6 en dan moet hij klaar zijn voor de strijd. 

De Tien Engste Dingen

‘Heeft u wel eens gehoord van de tien engste dingen?’ ‘Nee, Vertel eens.’ ‘Het aller engste waar ik een nacht niet van geslapen heb, was een winkelwagen die vanzelf ging rijden in een winkel. De politie zei dat die winkel moest sluiten.’ ‘Jeeh, ja, dat is wel eng zeg.’ ‘Maar wat ik nog enger vond, en waar ik wel een paar nachten niet van geslapen heb…. , hij kijkt mij verschrikt aan en vraagt vertwijfeld: ‘heeft u wel eens van Aliens gehoord?’ ‘Ja, daar heb ik wel eens van gehoord.’

‘Nou, dan heb je bijvoorbeeld een bankrover en dat blijkt dan een Alien te zijn.’ ‘Hoe wisten ze dat dan?’ ‘Dat zagen ze omdat zijn huid helemaal rood was.’ ‘Hé gatver…’ ‘Aliens verstoppen zich vaak in enge mensen.’ ‘Dus als je een eng iemand ziet, kun je je altijd afvragen of het niet eigenlijk een Alien is?’ ‘Ja, inderdaad!’ 

‘Maar het aller aller-engste, waar ik echt niet meer van kon slapen, was een deel van een heks.’ ‘Een deel van een heks?’ ‘Ja, alleen de handen en de armen en dat die je dan konden pakken als je in bed lag.’ ‘Dat moet wel verschrikkelijk eng zijn. Ik had zelf als kind altijd dat ik voordat ik ging slapen tien keer ging kijken of er geen man onder mijn bed lag.’ ‘Ja, dat denk ik ook altijd, maar ik slaap op een hoogslaper en mijn nek is niet lang genoeg om te gaan kijken.’ ‘Gelukkig maar, want die dingen zijn meestal toch niet echt.’ ‘Nee, gelukkig niet.’ 

Claudius geniet zuchtend van het gevoel van veiligheid dat nu over hem heen komt. Een kinderhand is snel gevuld. 

The Mothman

‘Juf, Douwe en ik hebben de vorige keer de Chinese muur gemaakt en nu gaan we een deel van London maken.’ Claudius sleept emmers met zand aan, haalt houtjes en takken uit de bosjes. ‘We gaan eerst de brug maken.’ ‘Oh ja, de brug over de Theems zeker?’ ‘Ja, die moet heel stevig gemaakt worden, want ooit is ie ingestort en toen moest ie opnieuw gebouwd worden.

Sindsdien woont er een wezen in het water, die heet de Mothman. Dat is een man die helemaal in het zwart is, rode ogen heeft en vleugels met gaten erin. Hij kan ook vliegen. Mensen hebben hem een paar keer gezien, maar ze weten niet zeker of ie wel echt bestaat.’

The Mothman, lees ik later, is een bestaande legende over een wezen dat in het water woont. Hij verscheen ooit in Point Pleasant in West-Virginia, voordat de Silver Brigde instortte. Sindsdien denkt men dat hij verschijnt als er een ramp op komst is. Er is een boek over geschreven: The Mothman Prophecies van John A. Keel, 1976 en in 2002 een gelijknamige horror-film over gemaakt door Mark Pellington, met Richard Gere in de hoofdrol, in 2010 is er een televisie-serie over gemaakt. Ik moet denken aan het Monster van Loch Ness in Schotland. Dat is toch heel dicht bij Engeland, dus de Mothman in de Theems, het had wat mij betreft gekund.

Jan komt eraan lopen en wil met zijn schep de nieuwe brug over de Theems kapotslaan. ‘Scheer je weg!’ roep ik. Hij kijkt mij brutaal aan en zegt: ‘Je kunt beter letten op die jongen die mij net met een stok op mijn hoofd wilde slaan.’ ‘Ik laat mij door kinderen geen opdrachten geven, tis maar dat je het even weet.’ Hij loopt morrend weg.‘Ken jij hem? vraag ik aan Claudius. ’Hij knikt;’ vroeger zat hij bij mij in de klas.’ ‘Was hij toen aardig?’ ‘Ja, heel aardig.’ ‘Ik vind hem best brutaal namelijk.’ ’Misschien is ie veranderd,’ zegt ie nuchter en stapt abrupt, zonder een spoor van dankbaarheid dat ik zijn bouwkunsten beschermd heb tegen de schep van Jan, van het onderwerp af: ‘Mijn moeder vindt het helemaal niet erg dat er zand op mijn broek komt, want dan doet ze hem gewoon in de afwasmachine.’ Ik grinnik: ‘De afwasmachine, zei je dat?’ ‘Ja, dat zei ik; de afwasmachine.’

‘Je bouwwerk begint al echt op London te lijken hoor,’ zeg ik bewonderend. ‘Kunt U dat nog een keer herhalen?’ vraagt hij en ik herhaal, zichtbaar tot zijn genoegen, de zin. ‘We maken een deel van London,’ zegt hij gewichtig, ‘omdat we London mooi vinden en omdat we het héél goed kunnen.’ Het ontbreekt hem in ieder geval niet aan zelfvertrouwen, bedenk ik. ‘Ben je er wel eens geweest?’ ‘Nee! Maar juf, als we meer tijd hadden gehad, dan was het nog mooier geworden.’ ‘Dat wil ik geloven, want een deel van London maken dat is nogal wat, daar heb je veel meer tijd voor nodig dan één pauze.’ Claudius knikt bevestigend en lacht van oor tot oor. Ik heb er duidelijk een nieuwe vriend bij. 

De Steenbok

Op een hoge rots van roestbruin marmer dat op het schoolplein ter vermaak van de kinderen is neergezet zit Coralijn kaarsrecht op. ‘Hey Steenbok!’ begroet ik haar. Ze lacht. ‘Ik ben ook echt een steenbok,’ zegt ze met pretlichtjes in haar ogen.

‘Wanneer ben je jarig dan?’

‘28 December.’

‘Ja, dan ben je inderdaad een steenbok.’

Ik denk aan een vriend die 29 December jarig is en die ook echt leek op een steenbok.

‘Hou je ook zo veel van klimmen dan?’

‘Ja, heel veel! Ik klim elke dag in de Vondeltuin.’

‘Ben je wel eens naar zo’n klimwand geweest?’

‘Ja, dat kreeg ik voor mijn verjaardag.’

‘Mijn broertje is ook een steenbok.’ ‘Echt? Wanneer is hij jarig dan?’

’12 Januari.’ ‘Ja,’ beaam ik, ‘ook een echte steenbok.’

‘Ik heb mijn broertje laatst gered toen hij vast kwam te zitten in een boom. Ik kon op een tak gaan staan en heb toen de takken weggeduwd waar hij tussen ingeklemd zat. Toen hoefde de brandweer niet langs te komen.’

‘Wat fantastisch. Erg knap van je!’ Ik klom als kind ook altijd in de bomen van het Vondelpark, herinner ik mij hardop.

‘Ben jij ook een steenbok dan?’

‘Nee, boogschutter, maar die kunnen wel heel hard rennen.’

Ze knikt bedachtzaam.

Stiekem hoop ik dat ze geen Alpinist wordt. Maar ik neem aan dat de Astrologie niet zo letterlijk genomen moet worden? Waarschijnlijk moeten we meer denken in de richting van de ambitie om de maatschappelijke ladder te beklimmen of zoiets?

De volgende dag zit zij er weer. Ik ben toch benieuwd wat zij wil worden later. .

The *Pink* Jazzpainter

‘Is het waar juf dat uw man in de band speelt van de vader van Nicola?’ Helena kijkt mij met grote nieuwsgierige ogen aan. ‘Ja, dat klopt.’ Haar schouders beginnen licht te schokken en ze houdt haar hand voor haar mond. ‘Hij is *saxofonist* in Harald’s band,’ zeg ik. Nu proest ze het uit:’ Saxofonist! Whoehaahaaaaa!!!!’ Ze hangt slap naar voren over haar tafeltje. ‘Een saxo-fo-nist,’ herhaalt ze het woord langzaam en ligt weer dubbel.

‘Ja, en hij noemt zich ‘The Jazzpainter’, voeg ik toe. Ook dit is weer aanleiding voor een lachsalvo. ‘Hij is niet alleen saxofonist, maar heeft ook nog eens een heel gekke naam,’ hikt ze. ‘Maar wat is daar dan zo grappig aan allemaal?’ vraag ik tenslotte.

‘Nou, een saxofonist, dat is toch iets uit de jaren ’80? De jaren ’50 zelfs! Daarom!!’

‘Aha, daarom, nu snap ik het!’

Een video van The Pink Panter draait op het screenboard in de klas.

‘The *pink* Jazzpainter!’ had ie ook kunnen heten, probeer ik nog een lach aan haar te ontlokken, maar ze hoort mij al niet meer, zo gevangen is ze in de capriolen van The Pink Panter. Goeie soundtrack is dat toch. Moet ik eens als tip aan mijn vriend mee geven.

Erik’s verhaal

Erik is jarig vandaag. Dat kun je zien aan de kleurige narrenmuts met de kwastjes die hij draagt; dat is namelijk zijn verjaardagsmuts.

Hij gaat ons, zoals beloofd, een verhaal vertellen over Kabouter Plop. Drie vriendjes dansen wild om hem heen terwijl hij op een kruk voor de klas zit. Dat gedans draagt niets bij aan het verhaal, maar zonder zijn vriendjes durft Erik het verhaal niet te vertellen.

Als hij iets zegt fluistert hij bijna. Daarom kan niemand hem verstaan en roepen we allemaal: ‘Harder!!!’

Hij zet zijn luidste stem op:

‘Ik was met mijn ouders in Zeeland op vakantie en toen gingen we een Kabouter Plop-dans doen. Er waren nog meer toeristen die mee wilden doen, maar die moesten daar wel € 5 voor betalen.

Daarna gingen we naar de supermarkt en daar zagen we Kabouter Plop die zich op de groenteafdeling verstopt had tussen de kroppen sla.

Vader wilde geen kabouters in zijn sla dus hij trok hem aan zijn jasje omhoog en zette hem op de grond. Dat vond Kabouter Plop eigenlijk niet zo leuk. Hij klom snel weer omhoog langs de groentekistjes met de exotische groenten tot hij uitkwam bij de kokosnoten. Toen tilde hij een kokosnoot op met alle kracht die hij in zijn kleine armpjes bezat en probeerde hem naar het hoofd van mijn vader gooien. Maar de kokosnoot was zo zwaar dat hij uit zijn hand rolde, bovenop de dikke buik van de personeelschef die was afgekomen op het tumult dat was ontstaan op de groente-afdeling.

Nu waren de rapen gaar. ‘Wij willen geen kabouters in onze winkel!’ schreeuwde de chef tegen Kabouter Plop. ’Anders zien wij ons genoodzaakt om de politie te bellen!’

Wat gek, dat zo’n man de hele tijd ‘wij’ zegt, dacht Kabouter Plop, alsof hij praat voor de hele winkel. ‘Prima, bel de politie maar,’ zei hij, want hij wist iets wat geen van de volwassen mensen wisten namelijk dat Kabouters zich onzichtbaar kunnen maken als ze dat willen. ‘Ik hou van appels, peren, bananen, komkommers en radijsjes, dus jullie krijgen mij hier niet meer weg!’

De personeelschef liep rood aan van woede om zoveel brutaliteit en pakte zijn mobiel om de politie te bellen. ‘Ja, u hoort het goed, ik heb het hier over een Kabouter die onze winkelgasten bedreigd met een kokosnoot!’ zei hij tegen de politie. ‘Dus dat gelooft u niet? Nou, ik zou zeggen: Komt u zelf maar kijken! En vergeet de handboeien en wapenstokken niet mee te nemen, want dit is geen kabouter om zonder handschoenen aan te pakken!’

Plop lachte in zijn vuistje. Natuurlijk kon de politie hem niet vinden toen zij op de groenteafdeling gingen zoeken. De agenten haalden hun schouders op dat ze in de mooie praatjes van de personeelschef getrapt waren. Zelfs mijn vader, die de Kabouter toch zelf gezien had, dacht nu dat hij alles maar verzonnen had.

Maar onze kleine Erik (alias Tommie) die voorin het winkelwagentje had gezeten en alles had gezien wist wel beter.

Dus lieve kinderen als jullie een Kabouter zien in de supermarkt of waar dan ook, vertel niets aan jullie ouders, want zij geloven het toch niet. Denk gewoon: Goh, wat bijzonder dat deze Kabouter zich speciaal voor mij zichtbaar heeft gemaakt. Knipoog naar hem en zwaai even met je pink, zodat hij weet dat je hem gezien hebt.

De volgende keer gaan we verder over Kabouter Plop die naar Amerika reisde en waarom.

Kabouter Plop in Zeeland

5256E16A-58CB-4C9E-9EDA-2C991CF423BEJuf, kent U Kabouter Plop?’

‘Ja, die ken ik wel. Wat is daar dan mee?’

‘Ik heb hem ontmoet.’

‘Echt? Waar dan?’

‘In Zeeland! Een jaar geleden!’

Ik moet even nadenken. Wat wil hij precies vertellen aan mij op deze eerste schooldag? Zijn klas en ik kennen elkaar nog niet. Misschien wil hij kijken hoe ik reageer op iets dat natuurlijk een verzinsel is. Maar hij weet nog niet dat ‘verzinsels van kinderen’ mijn speciale belangstelling hebben en ik vraag door.

‘Zag je hem op de Camping?’

Erik reageert al niet meer. ‘Jorg heeft mijn Skippybal afgepakt!’

Jorg zit prinsheerlijk op de gestolen skippybal en wipt heen en weer. ‘Ik kreeg hem van Felix!’ roept hij.

‘Ik gaf hem aan Felix en die gaf hem aan Jorg en nu zit hij er al de hele tijd op,’ zegt Erik.

‘Dan had je hem maar niet aan Felix moeten geven!’ vindt Jorg die over het schoolplein weg wipt.

‘Jorg!’ roep ik streng,’geef die bal terug aan Erik!’

‘Het is zijn eigen schuld!’ pruttelt Jorg tegen als ik op hem afloop en de skippybal in beslag neem. Erik hopt meteen vrolijk verder op de bal.

‘Erik, vertel jij morgen in de klas aan ons nog eens over je avontuur met Kabouter Plop in Zeeland?’ Hij lacht breed en knikt!

‘Wat, wat, wat?’ vraagt een meisje nieuwsgierig.

‘Oh, iets over Kabouter Plop!’ Hij trekt zijn schouders erbij op; bussiness as usual.

Maar ik hoor ze druk nababbelen als ik verder loop en hoop dat hij het hele verhaal niet al aan zijn klasgenootjes heeft verteld voordat ik morgen kom overblijven. Ik ben zo benieuwd!

Putin en Trump

‘Hoi dames, ik heb van ons gesprek laatst een verhaal gemaakt voor op mijn blog. Vinden jullie toch niet erg he?’ Ze kijken mij aan met een mengeling van nieuwsgierigheid en afschuw.

‘Wat raar!’ Zegt een van hen.

‘Ga maar eens kijken op mijn blog hoe raar dat is dan.’

Ze denken even na………’Dus zo van…: Alexandra zei dat Lil’ Kleine…?’ begint Marijn.

‘Nee, zo dus niet, onderbrak ik haar, want ik zou nooit jullie echte namen gebruiken.’

‘Maar wel dat we op de Montessori-school zitten toch?’ vraagt Lara in de hoop toch nog een sprankje eeuwige roem te kunnen meepikken.

‘Nee, dat ook niet.’

‘Ik heet: ‘Aleksandra, Lexa, Anna, Madelief, Jelena Stephanov,’ begint één van de drie. Ze laat het niet op zich zitten dat haar naam zomaar genegeerd wordt.

‘Dus jij bent van Russische afkomst?’

‘Ja, mijn oma is geboren in Rusland. En mijn hond heet Putin. Hij heeft lang bruin haar en is zo hoog.’ Haar hand wijst tot aan haar middel.

‘Toen hij nog klein was heette hij gewoon ‘hond’ maar toen hij groter werd heb ik hem Putin genoemd. Maar hij is wel heel lief hoor.’

Het hele clubje barst in lachen uit.

‘Zes namen, dat is wel erg veel zég!’

‘Ik heet: ‘Lara, Rihanna, Mirna van den Berg,’ komt de volgende trots over de brug.

‘En ik: ‘Marijn, Carry van Hees. En mijn hond heet Trump. Putin en Trump spelen vaak samen bij mij in de tuin.’

‘Dat dacht ik wel.’

Een jongetje uit hun klas, nieuwsgierig naar de reden van onze samenscholing, komt er bij staan. Hij heet ‘Rob, Robin, Robbinson eigenlijk.’ Zegt Marijn met haar arm om hem heen geslagen alsof zijn naam een trofee is die zij net veroverd heeft.

‘Jullie namen zijn heel mooi jongens, mooier dan ik kan verzinnen. Maar ik kan ze helaas niet gebruiken. Sorry!’ Ze trekken hun schouders op en gaan voetballen want dat is erg ‘in’ onder de meisjes van tegenwoordig. Een overblijfmoeder die mij steeds nauwlettende in de gaten heeft gehouden tijdens mijn gesprekje met de schoolverlaters spreekt mij na de overblijf aan.

‘De kinderen mogen niet op dat muurtje zitten waar jij vandaag stond, dat weet je toch wel?’

‘Dit was groep 8 en het is hun laatste week op school.’

‘Ja, maar dat zijn de regels.’

‘Klopt, zeg ik mismoedig, dat zijn de regels’.

Een meisje uit de onderbouw van een aangrenzend schoolplein steekt haar hand omhoog met daarin een waterijsje:’ Cola!’ Zegt ze alsof het een toverwoord is dat ze graag met mij wil delen. Een lach glijdt over mijn gezicht en ik weet eigenlijk niet waarom.

%d bloggers liken dit: