‘Heeft u wel eens gehoord van de tien engste dingen?’ ‘Nee, Vertel eens.’ ‘Het aller engste waar ik een nacht niet van geslapen heb, was een winkelwagen die vanzelf ging rijden in een winkel. De politie zei dat die winkel moest sluiten.’ ‘Jeeh, ja, dat is wel eng zeg.’ ‘Maar wat ik nog enger vond, en waar ik wel een paar nachten niet van geslapen heb…. , hij kijkt mij verschrikt aan en vraagt vertwijfeld: ‘heeft u wel eens van Aliens gehoord?’ ‘Ja, daar heb ik wel eens van gehoord.’
‘Nou, dan heb je bijvoorbeeld een bankrover en dat blijkt dan een Alien te zijn.’ ‘Hoe wisten ze dat dan?’ ‘Dat zagen ze omdat zijn huid helemaal rood was.’ ‘Hé gatver…’ ‘Aliens verstoppen zich vaak in enge mensen.’ ‘Dus als je een eng iemand ziet, kun je je altijd afvragen of het niet eigenlijk een Alien is?’ ‘Ja, inderdaad!’
‘Maar het aller aller-engste, waar ik echt niet meer van kon slapen, was een deel van een heks.’ ‘Een deel van een heks?’ ‘Ja, alleen de handen en de armen en dat die je dan konden pakken als je in bed lag.’ ‘Dat moet wel verschrikkelijk eng zijn. Ik had zelf als kind altijd dat ik voordat ik ging slapen tien keer ging kijken of er geen man onder mijn bed lag.’ ‘Ja, dat denk ik ook altijd, maar ik slaap op een hoogslaper en mijn nek is niet lang genoeg om te gaan kijken.’ ‘Gelukkig maar, want die dingen zijn meestal toch niet echt.’ ‘Nee, gelukkig niet.’
Claudius geniet zuchtend van het gevoel van veiligheid dat nu over hem heen komt. Een kinderhand is snel gevuld.

