‘Ben je al dood?’

‘Ben je al dood?’ riepen de kinderen naar een junk die voorbij liep op straat. ‘Hou je bek!’ riep hij terug. Ze klampten zich ontdaan aan mij vast. ‘Juf, hij zei hou je bek!’ ‘Jullie moeten ook niet roepen ‘Ben je al dood?’ naar een zwerver als hij nog leeft.

‘Het is geen zwerver’, zei een van de kinderen, ‘hij heeft gewoon een huis.’ ‘Waar woont hij dan?’ ‘Hij woont daarachter in de struiken.’ ‘Maar iemand die in de struiken woont is toch een zwerver?’ ‘“Nee-hee! Zuchtte ze met rollende ogen over zoveel onbegrip, want hij heeft ook een afdakje.’ Ik keek naar de struiken in de voortuin van een huis waarboven inderdaad een rood zonnescherm was uitgeklapt. ‘Dus omdat hij een afdakje heeft is hij geen zwerver, vinden jullie?’

‘Het is een boef!’, gilden ze. ‘Hij heeft een ding in zijn auto liggen waarmee hij bij onze huizen kan inbreken!’ Een jongetje keek mij met afschuw aan. Ik keek de zwerver na die met moeite in een invalide- wagentje naar binnen klom. Ik kon mij niet voorstellen dat hij daarin een breekijzer zou verbergen. Hij kon nauwelijks op zijn benen staan, laat staan met geweld ergens inbreken. Wel was het vreemd dat hij een auto bleek te bezitten. Misschien woonde hij toch in een huis in de straat?

De juf van de klas zei dat ze nooit meer zo brutaal tegen een ‘grote’ meneer zouden mogen zijn. Daar moesten ze wel een beetje om lachen, want ze kenden deze meneer langer dan vandaag en hadden duidelijk een geschiedenis met hem van schelden over en weer die nog lang niet ten einde was.

De zon is een kleine keutel

De kinderen plukken bloemen uit het bloemperk rond het schoolplein en maken er kleine schilderijen van. Sommigen maken een bult van aarde met houtsnippers die er heel wat minder aantrekkelijk uitziet. ‘Wat is dat precies’, vraag ik? ‘Dat is natuurlijk ‘heksenpap’, antwoorden drie meisjes in koor. ‘Gatver…! En wie gaat dat eten dan?’ ‘Wij!’ Dus jullie zijn heksen?’ ‘Ja, wij kunnen er gewoon tegen om heksenpap pap te eten.’

Een klein jongetje noemt mij steeds ‘juffrouw hondendrol’. ‘Wil jij daar mee ophouden mij zo te noemen?’ vraag ik. ‘Nee’, gilt hij, ‘Juffrouw kleddervogel! ‘Kijk, dat vind ik nu wel slim van je, dat jij gewoon een ander woord voor hetzelfde bedenkt.’ Hij lacht van oor tot oor. ‘En ik heb vandaag nog iets geleerd van jou,’ voeg ik toe. ‘Wat dan?’ vraagt hij gretig. ‘Ik heb geleerd dat de zon een kleine keutel is. Want dat heb je wel tien keer gezegd vandaag.’ Hij brult het uit van het lachen.