Erik’s verhaal

Erik is jarig vandaag. Dat kun je zien aan de kleurige narrenmuts met de kwastjes die hij draagt; dat is namelijk zijn verjaardagsmuts.

Hij gaat ons, zoals beloofd, een verhaal vertellen over Kabouter Plop. Drie vriendjes dansen wild om hem heen terwijl hij op een kruk voor de klas zit. Dat gedans draagt niets bij aan het verhaal, maar zonder zijn vriendjes durft Erik het verhaal niet te vertellen.

Als hij iets zegt fluistert hij bijna. Daarom kan niemand hem verstaan en roepen we allemaal: ‘Harder!!!’

Hij zet zijn luidste stem op:

‘Ik was met mijn ouders in Zeeland op vakantie en toen gingen we een Kabouter Plop-dans doen. Er waren nog meer toeristen die mee wilden doen, maar die moesten daar wel € 5 voor betalen.

Daarna gingen we naar de supermarkt en daar zagen we Kabouter Plop die zich op de groenteafdeling verstopt had tussen de kroppen sla.

Vader wilde geen kabouters in zijn sla dus hij trok hem aan zijn jasje omhoog en zette hem op de grond. Dat vond Kabouter Plop eigenlijk niet zo leuk. Hij klom snel weer omhoog langs de groentekistjes met de exotische groenten tot hij uitkwam bij de kokosnoten. Toen tilde hij een kokosnoot op met alle kracht die hij in zijn kleine armpjes bezat en probeerde hem naar het hoofd van mijn vader gooien. Maar de kokosnoot was zo zwaar dat hij uit zijn hand rolde, bovenop de dikke buik van de personeelschef die was afgekomen op het tumult dat was ontstaan op de groente-afdeling.

Nu waren de rapen gaar. ‘Wij willen geen kabouters in onze winkel!’ schreeuwde de chef tegen Kabouter Plop. ’Anders zien wij ons genoodzaakt om de politie te bellen!’

Wat gek, dat zo’n man de hele tijd ‘wij’ zegt, dacht Kabouter Plop, alsof hij praat voor de hele winkel. ‘Prima, bel de politie maar,’ zei hij, want hij wist iets wat geen van de volwassen mensen wisten namelijk dat Kabouters zich onzichtbaar kunnen maken als ze dat willen. ‘Ik hou van appels, peren, bananen, komkommers en radijsjes, dus jullie krijgen mij hier niet meer weg!’

De personeelschef liep rood aan van woede om zoveel brutaliteit en pakte zijn mobiel om de politie te bellen. ‘Ja, u hoort het goed, ik heb het hier over een Kabouter die onze winkelgasten bedreigd met een kokosnoot!’ zei hij tegen de politie. ‘Dus dat gelooft u niet? Nou, ik zou zeggen: Komt u zelf maar kijken! En vergeet de handboeien en wapenstokken niet mee te nemen, want dit is geen kabouter om zonder handschoenen aan te pakken!’

Plop lachte in zijn vuistje. Natuurlijk kon de politie hem niet vinden toen zij op de groenteafdeling gingen zoeken. De agenten haalden hun schouders op dat ze in de mooie praatjes van de personeelschef getrapt waren. Zelfs mijn vader, die de Kabouter toch zelf gezien had, dacht nu dat hij alles maar verzonnen had.

Maar onze kleine Erik (alias Tommie) die voorin het winkelwagentje had gezeten en alles had gezien wist wel beter.

Dus lieve kinderen als jullie een Kabouter zien in de supermarkt of waar dan ook, vertel niets aan jullie ouders, want zij geloven het toch niet. Denk gewoon: Goh, wat bijzonder dat deze Kabouter zich speciaal voor mij zichtbaar heeft gemaakt. Knipoog naar hem en zwaai even met je pink, zodat hij weet dat je hem gezien hebt.

De volgende keer gaan we verder over Kabouter Plop die naar Amerika reisde en waarom.

Advertenties

Kabouter Plop in Zeeland

5256E16A-58CB-4C9E-9EDA-2C991CF423BEJuf, kent U Kabouter Plop?’

‘Ja, die ken ik wel. Wat is daar dan mee?’

‘Ik heb hem ontmoet.’

‘Echt? Waar dan?’

‘In Zeeland! Een jaar geleden!’

Ik moet even nadenken. Wat wil hij precies vertellen aan mij op deze eerste schooldag? Zijn klas en ik kennen elkaar nog niet. Misschien wil hij kijken hoe ik reageer op iets dat natuurlijk een verzinsel is. Maar hij weet nog niet dat ‘verzinsels van kinderen’ mijn speciale belangstelling hebben en ik vraag door.

‘Zag je hem op de Camping?’

Erik reageert al niet meer. ‘Jorg heeft mijn Skippybal afgepakt!’

Jorg zit prinsheerlijk op de gestolen skippybal en wipt heen en weer. ‘Ik kreeg hem van Felix!’ roept hij.

‘Ik gaf hem aan Felix en die gaf hem aan Jorg en nu zit hij er al de hele tijd op,’ zegt Erik.

‘Dan had je hem maar niet aan Felix moeten geven!’ vindt Jorg die over het schoolplein weg wipt.

‘Jorg!’ roep ik streng,’geef die bal terug aan Erik!’

‘Het is zijn eigen schuld!’ pruttelt Jorg tegen als ik op hem afloop en de skippybal in beslag neem. Erik hopt meteen vrolijk verder op de bal.

‘Erik, vertel jij morgen in de klas aan ons nog eens over je avontuur met Kabouter Plop in Zeeland?’ Hij lacht breed en knikt!

‘Wat, wat, wat?’ vraagt een meisje nieuwsgierig.

‘Oh, iets over Kabouter Plop!’ Hij trekt zijn schouders erbij op; bussiness as usual.

Maar ik hoor ze druk nababbelen als ik verder loop en hoop dat hij het hele verhaal niet al aan zijn klasgenootjes heeft verteld voordat ik morgen kom overblijven. Ik ben zo benieuwd!

Putin en Trump

‘Hoi dames, ik heb van ons gesprek laatst een verhaal gemaakt voor op mijn blog. Vinden jullie toch niet erg he?’ Ze kijken mij aan met een mengeling van nieuwsgierigheid en afschuw.

‘Wat raar!’ Zegt een van hen.

‘Ga maar eens kijken op mijn blog hoe raar dat is dan.’

Ze denken even na………’Dus zo van…: Alexandra zei dat Lil’ Kleine…?’ begint Marijn.

‘Nee, zo dus niet, onderbrak ik haar, want ik zou nooit jullie echte namen gebruiken.’

‘Maar wel dat we op de Montessori-school zitten toch?’ vraagt Lara in de hoop toch nog een sprankje eeuwige roem te kunnen meepikken.

‘Nee, dat ook niet.’

‘Ik heet: ‘Aleksandra, Lexa, Anna, Madelief, Jelena Stephanov,’ begint één van de drie. Ze laat het niet op zich zitten dat haar naam zomaar genegeerd wordt.

‘Dus jij bent van Russische afkomst?’

‘Ja, mijn oma is geboren in Rusland. En mijn hond heet Putin. Hij heeft lang bruin haar en is zo hoog.’ Haar hand wijst tot aan haar middel.

‘Toen hij nog klein was heette hij gewoon ‘hond’ maar toen hij groter werd heb ik hem Putin genoemd. Maar hij is wel heel lief hoor.’

Het hele clubje barst in lachen uit.

‘Zes namen, dat is wel erg veel zég!’

‘Ik heet: ‘Lara, Rihanna, Mirna van den Berg,’ komt de volgende trots over de brug.

‘En ik: ‘Marijn, Carry van Hees. En mijn hond heet Trump. Putin en Trump spelen vaak samen bij mij in de tuin.’

‘Dat dacht ik wel.’

Een jongetje uit hun klas, nieuwsgierig naar de reden van onze samenscholing, komt er bij staan. Hij heet ‘Rob, Robin, Robbinson eigenlijk.’ Zegt Marijn met haar arm om hem heen geslagen alsof zijn naam een trofee is die zij net veroverd heeft.

‘Jullie namen zijn heel mooi jongens, mooier dan ik kan verzinnen. Maar ik kan ze helaas niet gebruiken. Sorry!’ Ze trekken hun schouders op en gaan voetballen want dat is erg ‘in’ onder de meisjes van tegenwoordig. Een overblijfmoeder die mij steeds nauwlettende in de gaten heeft gehouden tijdens mijn gesprekje met de schoolverlaters spreekt mij na de overblijf aan.

‘De kinderen mogen niet op dat muurtje zitten waar jij vandaag stond, dat weet je toch wel?’

‘Dit was groep 8 en het is hun laatste week op school.’

‘Ja, maar dat zijn de regels.’

‘Klopt, zeg ik mismoedig, dat zijn de regels’.

Een meisje uit de onderbouw van een aangrenzend schoolplein steekt haar hand omhoog met daarin een waterijsje:’ Cola!’ Zegt ze alsof het een toverwoord is dat ze graag met mij wil delen. Een lach glijdt over mijn gezicht en ik weet eigenlijk niet waarom.

Abigail en Lil’ Kleine

‘Kent u Lil’ Kleine?’ De meisjes uit groep 8 zaten op het muurtje achter mij en keken mij nieuwsgierig aan.
‘Jazeker ken ik die.’
‘Wat vindt u van hem? Vindt u hem leuk?’
‘Ja hoor, heel leuk.’
‘Ja maar leuk-leuk, of gewoon-leuk?’
‘Wat bedoel je met leuk-leuk?’
‘Of u hem knap vindt?’
‘Ja, dat is een heel knappe jongen.’ Het was even stil.
‘Kent u zijn muziek?’
‘Ja, die ken ik wel.’
‘Zing dan eens een liedje van hem!’
‘Sorry, maar hij zingt volgens mij geen liedjes, hij is rapper.’
‘Wat rapt hij dan?’
‘Nou ja, iets over seks, drugs en rock ’n roll?’
Ze lachten schamper:’ Dat soort dingen mag u niet zeggen op het schoolplein!’
‘Nee, dat mag niet, maar hij mag dat wel hé?’
‘Ja, hij mag dat wel.’

‘Wij vinden hem leuk-leuk. Maar hij heeft een heel mooie vriendin’
‘Dat is dan jammer zég.’
‘Zou u hem willen ontmoeten en met hem zoenen?’
‘Eh.., nou nee.., niet echt. Hij is meer leuk-leuk voor op de televisie. In het echt lijkt hij mij minder leuk eigenlijk. Het is nogal een boefje.’
Ze keken elkaar vertwijfeld aan.

…’Maar denkt U dat hij u ook leuk zou vinden?’ durfde de brutaalste van de meiden eindelijk de vraag te stellen die al die tijd al op hun lippen lag.
‘Mij..? Nou nee, dat denk ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Nou, wat denk je van oud, dik en lelijk?’
‘Dat moet u toch niet zeggen van uzelf?’
‘Nee, dat moet ik niet zeggen, maar het is wel waar natuurlijk.’

Bingo! Mission accomplished!

‘Dag Abigail!’ Dit gesprek was wat hen betreft nu wel ten einde.
‘Ik heet geen Abigail, dames!’
‘Jawel, zo heet u wel, want iedereen hier op school noemt u zo!’

Het is waar dat sinds mijn jongste aanbidder deze naam voor mij bedacht heeft alle kinderen mij zo noemen. Als ik probeer mijn echte naam terug te krijgen kijken ze mij norsig aan. Dat gaat zomaar niet!
‘Laat eerst je paspoort dan maar eens zien,’ zei een van de boefjes onlangs.

De schoolbel schelde over het schoolplein en de rebellerende pré-pubers stonden alweer keurig in het gelid.

Ik zuchtte en gaf de strijd op. Het was genoeg geweest voor vandaag.

Unknown-9

Verloving

Een jongetje van 11 heeft mij op school ten huwelijk gevraagd. Eerst negeerde ik zijn verzoek. Toen hij echter voor de derde keer op zijn knieën ging en mijn hand daarbij vastpakte was ik toch ontroerd en leek ‘nee’ zeggen mij opeens dodelijk saai dus ik zei ‘ja’.

Hij danste van blijdschap om mij heen en kwam met een paar vriendjes uit zijn klas even later een verlovingsring brengen van papier waar Gucci op stond. ‘Hoe heet je eigenlijk,’ vroeg ik, ‘want straks weet ik niet eens met wie ik getrouwd ben.’

Soms legt hij zijn hand op mijn schouder bij wijze van verstandhouding, ook denkt hij dat hij meer mag dan andere kinderen. Hoe draai ik dat terug zonder hem te kwetsen in deze prille liefde? vroeg ik mij af.

Mijn klas vindt het maar niks. Trouwen met een jongetje van 11? Ze trekken hun neus ervoor op en kijken naar mij alsof ze een griezelig beest zien. ‘Nou en?’ zeg ik en trek mijn schouders op. ‘Wat kun jij goed liegen,’ bijt een meisje mij toe, want ze geloofde er niets van.’

Mijn bijna 50-jaar jongere verloofde zei vandaag dat hij mij gemist had in het weekend, want dat duurt lang hoor als je verliefd bent. ‘Valt wel mee toch? zei ik.

‘By the way; je veter zit los.’

‘Je vrouw zegt dat je veter los zit,’ papegaaide een vriendje hem na.

Hij wil graag contact houden via Instagram. Dat verzoek heb ik voor de zekerheid toch maar niet ingewilligd.

Over een week is de overblijf-juf weer gewoon een van de juffen en dan begint de gebruikelijke strijd om de macht weer. Niets bijzonders.

 

Henk

‘Mag Henk mee naar binnen?’ Stella en Josje kijken mij verwachtingsvol aan. ‘Wie is Henk?’ Stella opent haar hand. Een glanzend lieveheersbeestje kruipt lang haar vingers omhoog. ‘Maar wat als hij door de klas heen gaat vliegen?’ Ze heeft een idee: ‘We hebben een luciferdoosje waar hij in kan.’

In de klas gaat Henk met wat gras het doosje in dat een klein beetje open blijft staan zodat hij nog net kan ademen. Alle kinderen komen even langs om te kijken naar hem. Josje bedenkt dat hij wel eens dorst zou kunnen hebben en probeert druppels water in het doosje te doen. Ik hou mijn hart vast.

‘Dames, zullen we Henk gaan bevrijden, voordat de juf komt?’ Ik open alvast het raam. Ze nemen het zekere voor het onzekere en openen het doosje. Na een lichte aarzeling, vanwege het lichtbad waaraan hij plotseling wordt blootgesteld, slaat hij zijn vleugels uit. ‘Dag Henk, pas je een beetje goed op jezelf? We zullen je altijd aan je blijven denken!’ roepen we achter hem aan.

Als de juf binnenkomt doen we alsof er niets gebeurd is.

Snuffie

Rick, een mooi kind met een ernstige blik in zijn ogen, komt bij mij staan. Vorige week keek hij al zo sip, toen had hij oorpijn. Maar nu is er iets anders aan de hand. Zijn ogen vullen zich met tranen; zijn hamster Snuffie is dood. Ze zijn naar de dierenarts geweest, maar het hielp niet meer.

Nu ligt Snuffie begraven in de tuin. Hij houdt mij stevig vast, andere kinderen komen om ons heen staan. ‘Dat is echt heel naar, wat zul je hem missen. Wat fijn voor hem dat hij in de voortuin ligt, zo dicht bij je.’ Hij knikt. Droogt zijn tranen. Gaat weer brood eten. Zo nu en dan komt hij even naar mij toe voor een knuffel en kijkt mij met blik van verstandhouding aan.

Er zijn geen woorden voor nodig.

4 Grote mensen tanden

‘Marly is vandaag niet aanwezig,’ zegt de juf. Maar wie is Marly vraag ik later aan de kinderen? Want de juf heeft geen tijd voor uitleg.

Hoe ziet ze eruit? ‘Ze heeft net zo’n kleur haar als ik,’ zegt Tylo. Hij wijst op zijn zwartbruine haar, hij is vermoedelijk van Mexicaanse of Colombiaanse afkomst. ‘Ze heeft ook bloed aan haar tanden, aan de binnen en de buitenkant. Daaraan kun je haar misschien herkennen?”

‘Ze zou binnenkort een beugel krijgen,’ voegt een ander jongetje toe. ‘Ik heb vier grote mensentanden, vier die nog moeten groeien en 3 tanden die loszitten.’ ‘Dat heb ik precies hetzelfde,’ roept een ander jongetje in verbazing uit over zoveel toevalligheden.

Nu pas versta ik haar achternaam. Ik had vroeger een tandarts die zo heette, ik geloof dat ik er ben weggelopen, omdat hij mij zo’n pijn had gedaan dat ik een klacht wilde indienen.

Vanochtend zat Marly voorop de scooter bij haar moeder, haar broertje zat achterop toen ze frontaal op een andere scooter botsten. Ze is een tand kwijt en is daarvoor nu naar de tandarts.

Opeens herinner ik mij een meisje met een grijs T-shirt aan met in rode letters heel groot het woord LOVE erop. Ik vind dat zo’n beetje het mooiste T-shirt dat ik ken, vooral door hoe het staat bij haar zwarte haar, lichtbruine huid en donkere ogen. Misschien had ik dat vorige week toch nog even moeten zeggen tegen haar?

‘Ben je al dood?’

‘Ben je al dood?’ riepen de kinderen naar een junk die voorbij liep op straat. ‘Hou je bek!’ riep hij terug. Ze klampten zich ontdaan aan mij vast. ‘Juf, hij zei hou je bek!’ ‘Jullie moeten ook niet roepen ‘Ben je al dood?’ naar een zwerver als hij nog leeft.

‘Het is geen zwerver’, zei een van de kinderen, ‘hij heeft gewoon een huis.’ ‘Waar woont hij dan?’ ‘Hij woont daarachter in de struiken.’ ‘Maar iemand die in de struiken woont is toch een zwerver?’ ‘“Nee-hee! Zuchtte ze met rollende ogen over zoveel onbegrip, want hij heeft ook een afdakje.’ Ik keek naar de struiken in de voortuin van een huis waarboven inderdaad een rood zonnescherm was uitgeklapt. ‘Dus omdat hij een afdakje heeft is hij geen zwerver, vinden jullie?’

‘Het is een boef!’, gilden ze. ‘Hij heeft een ding in zijn auto liggen waarmee hij bij onze huizen kan inbreken!’ Een jongetje keek mij met afschuw aan. Ik keek de zwerver na die met moeite in een invalide- wagentje naar binnen klom. Ik kon mij niet voorstellen dat hij daarin een breekijzer zou verbergen. Hij kon nauwelijks op zijn benen staan, laat staan met geweld ergens inbreken. Wel was het vreemd dat hij een auto bleek te bezitten. Misschien woonde hij toch in een huis in de straat?

De juf van de klas zei dat ze nooit meer zo brutaal tegen een ‘grote’ meneer zouden mogen zijn. Daar moesten ze wel een beetje om lachen, want ze kenden deze meneer langer dan vandaag en hadden duidelijk een geschiedenis met hem van schelden over en weer die nog lang niet ten einde was.